PROLOOG @BRK#Hij stond aan de zijkant, in de schaduw, en liet zijn woede kolken. Hij had zijn woede nodig. Daar leefde hij van. Die woede ontstak het vuur en de passie die hij in zijn woorden en in zijn optreden legde. Het publiek voelde dat en reageerde erop. Hij had het vermogen dezelfde woede bij hen aan te wakkeren. Zijn publiek bestond vooral uit eenvoudige plattelanders en dorpelingen, en hij speelde met al zijn volksmennerstrucs in op hun vooroordelen en hun onverdraagzaamheid, tot ze hun vuisten balden en om gerechtigheid riepen. De bron van zijn eigen woede was duidelijk. Hij vond dat hem was afgepakt waar hij op grond van zijn geboorte recht op had en erfgenaam van was. En dat was gebeurd door de nukken van een vorst die de aanspraak op de troon van zijn eigen familie wilde verstevigen. Hij had met één pennenstreek een eeuwenoude wet veranderd en vastgelegd dat in Araluen ook een vrouw troonopvolger kon zijn. De meeste Araluenen hadden de wet zonder morren geaccepteerd, maar een klein groepje fanatici en conservatieven was ertegen. Ze hadden de Clan van de Rode Vos opgericht, en dat geheime groepje had gezworen oude tijden te laten herleven en van de troonopvolging weer een mannelijke zaak te maken. Toen hij ze een paar jaar geleden ontdekte, was de Clan van de Rode Vos nog maar een klein groepje van nog geen vijftig man. Toch had hij dat gezelschap gezien als de sleutel naar zijn bestemming, de troon van Araluen. Hij had ingezien dat deze nu nog zwakke en slecht georganiseerde beweging de basis kon zijn om zijn campagne te lanceren. En dus had hij zich erbij aangesloten en zijn onomstreden talent voor organisatie en leiderschap aan de beweging toegevoegd. Hij was de dorpen afgereisd en had op geheime bijeenkomsten zijn boodschap verkondigd, rustig afwachtend tot de Clan langzaam begon te groeien. Het aanvankelijke groepje van nog geen vijftig man was uitgegroeid tot een beweging met vele honderden aanhangers, en het was inmiddels een machtige organisatie met ruime financiële middelen. En hij was stapje voor stapje opgeklommen tot Vulpus Rutilus, de Rode Vos, de leider van de Clan. Hij kon een menigte handig en overtuigend toespreken, maar dat was slechts één aspect van zijn ingewikkelde karakter. Als het nodig was kon hij ook streng en meedogenloos zijn, en hij had bij verschillende gelegenheden mensen pootje gehaakt als ze hem op weg naar de top dreigden tegen te houden. Minstens zo belangrijk was dat hij al vroeg had geleerd dat hij zijn doelen het beste kon bereiken door zich charmant en vriendelijk voor te doen. Als zijn moeder hem er als jongen weer eens op had gewezen wat voor onrecht hem was aangedaan, voegde ze er altijd aan toe dat je ‘met honing meer vliegen vangt dan met azijn’. Die les had hij in de jaren waarin hij ouder werd en tot volwassene uitgroeide altijd goed onthouden. Hij had zichzelf aangeleerd zich zo te gedragen dat anderen hem aardig vonden, dat ze ervan overtuigd raakten dat hij hun vriend was. Als een gedreven toneelspeler wist hij zijn vijandschap verborgen te houden achter een buitenkant van warmte en hartelijkheid – en een innemende glimlach. Zelfs nu zat er nog een handvol mensen in de leiding van de Clan van de Rode Vos aan wie hij een hekel had, maar niemand wist dat en ze beschouwden hem allemaal als een vriend, als een trouwe en hartelijke bondgenoot. En er waren anderen, buiten de beweging, mensen die hij als zijn ergste vijanden beschouwde, maar die geen idee hadden hoezeer hij ze, onder zijn uiterlijke opgeruimde vriendelijkheid, haatte. Het moment naderde waarop hij op kon houden met zijn toneelspel en zijn ware gevoelens kon blootgeven. De gedachte daaraan stemde hem buitengewoon tevreden. Ze waren bijeen op een grote open plek in het bos, tussen drie dorpen waar hij leden voor de Clan had geworven. Hij bekeek de aanwezigen. Er waren uitsluitend leden van de Clan uitgenodigd, en er stond een met zwaarden en knuppels gewapende garde om de menigte heen om te voorkomen dat buitenstaanders iets van de bijeenkomst mee konden krijgen. Er waren tegen de honderd mensen aanwezig, een uitstekende opkomst. Aanvankelijk had hij voor groepjes van hooguit tien mensen gesproken, en dat waren vaak ook nog eens half geïnteresseerde mensen, die vooral even uit de sleur van hun saaie levens wilden treden. Inmiddels maakte de beweging de tongen al behoorlijk los. Er steeg een verwachtingsvol geroezemoes op uit de menigte die op hem wachtte. Het was tijd om op te komen, besloot hij. Hij had de afgelopen jaren feilloos geleerd hoe hij zijn publiek moest benaderen. Zo wist hij ook precies wanneer hij zich moest laten zien – om dan nog een paar minuten te wachten, zodat de verwachting plaatsmaakte voor gretigheid en enthousiasme, voor hem en voor de zaak. Links van hem was een podium, omringd door brandende fakkels en erachter een doek met de afbeelding van een rode vos erop. Hij zette zijn masker op – een vossengezicht dat zijn ogen, neus en wangen bedekte. Hij trok het met vossenbont afgezette gewaad wat strakker om zijn lichaam, beklom de drie treden aan de achterkant van het podium en schoof het doek zo opzij dat het leek alsof hij als bij toverslag tussen de fakkels verscheen. Na zijn opkomst was het publiek heel even muisstil, maar op het moment dat hij zijn armen spreidde en het bloedrode gewaad uitwaaierde, barstte het applaus los. ‘Vrienden!’ riep hij, precies op het moment dat het applaus een beetje minder werd, maar nog voordat het helemaal was weggestorven. Nu hielden ook de laatste mensen op met klappen, in afwachting van zijn woorden. Zijn stem galmde over de open plek en bereikte moeiteloos de mensen die helemaal achteraan stonden. ‘Duizenden jaren lang gold er in ons land een wet die bepaalde dat alleen een man aanspraak op de troon kon maken. Dat was een goede wet. Een rechtvaardige wet. Het was een wet die de wens van de goden respecteerde.’ Er klonk een instemmend gemompel op uit de menigte. Hij vroeg zich even af waarom ze zo graag van hem aannamen dat dit een door de goden goedgekeurde wet was. Maar dat deden ze nu eenmaal, elke keer weer. Het maakte deel uit van de grote leugen die hij in het leven had geroepen – de leugen die, als hij maar vaak genoeg werd herhaald, in de oren van zijn luisteraars uiteindelijk waarheid werd. ‘Een paar jaar geleden besloot een koning, zonder om raad te vragen of te overleggen, dat hij deze wet mocht veranderen. En dat deed hij dan ook, met één enkele pennenstreek. Zomaar, gewoon omdat hij het kon.’ Hij liep naar de voorkant van het podium en boog zich naar zijn publiek toe. Zijn stem werd hoger en harder. ‘Wilden wij verandering van die wet?’ Hij wachtte heel even en hoorde de verwachte reactie. ‘Nee!’ riep de menigte. Als niemand reageerde, had hij in het publiek wel een paar van zijn mensen staan die met schreeuwen zouden zijn begonnen. ‘Hebben we om verandering van die wet gevráágd?’ ‘Nee!’ echode het over de open plek in het bos. ‘Waarom deed hij het dan toch?’ Dit keer laste hij geen pauze in. ‘Om ervoor te zorgen dat de troon in zijn familie zou blijven. Om zijn kleindochter aan de macht te helpen. En daarna haar dochter.’ Toen de koning de wet veranderde was zijn kleindochter nog niet eens geboren, maar eenmaal flink opgezweept waren de mensen maar al te graag bereid dat soort feiten over het hoofd te zien. ‘Was die verandering terecht?’ ‘NEE!’ ‘Was die rechtvaardig?’ ‘NEE-EE!’ ‘Of was het egoïstische arrogantie, en minachting voor zijn volk?’ ‘JA!’ Hij zweeg even, zodat de opwinding iets kon zakken, en ging daarna op een wat lagere, redelijkere toon verder. ‘Kan een vrouw ons land in oorlogstijd leiden?’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Nee, dat kan ze niet. Vrouwen zijn niet sterk genoeg om onze vijanden te weerstaan. Wat weten vrouwen van oorlog en krijgszaken en bescherming van onze grenzen?’ Nu riep hij op tot een antwoord, door zijn armen uit te steken. En dat kreeg hij. ‘HELEMAAL NIETS! HELEMAAL NIETS!’ Hij spreidde zijn handen om de menigte weer wat te kalmeren en het werd rustiger. Toen het weer stil was ging hij verder. ‘Vrouwen zijn meelevend en goedaardig. Ze voeden onze kinderen op, en ze organiseren het huishouden en het gezinsleven. Daar zijn ze geweldig in. Maar…’ Hij liet weer even een stilte vallen en verhardde zijn toon. ‘Het is niet de taak van een vrouw om zich de mannenrol toe te eigenen, om mannenwerk uit te voeren, om de moeilijke beslissingen te nemen die bij het leiden van een land horen. De eigenschappen die haar zo geschikt maken voor de opvoeding en het huishouden, maken haar ongeschikt om ooit hard en toch rechtvaardig een land te leiden. Zo is het toch?’ ‘JA-AA!’ Dit keer schreeuwde iedereen uit volle borst mee. Hij liet zijn blik over het publiek glijden, van links naar rechts, van achteren naar voren, en hij knikte. ‘Welnu, vrienden, de tijd is gekomen om op te treden. Om te veranderen wat onrechtvaardig is. Om deze goddeloze wet, waar niet om is gevraagd, terug te veranderen naar hoe het vroeger in dit land was. Staan jullie achter me?’ ‘JA-AA!’ riepen ze. Maar het was hem niet genoeg. ‘Staan jullie allemáál achter me? Wordt het weer zoals vroeger? Zoals het hoort? Zoals de goden het willen?’ ‘JA! JA! JA!’ Hun instemming klonk zo oorverdovend hard dat de spreeuwen, die in het bos zaten te slapen, geschrokken wegvlogen. Vulpus Rutilus wendde zijn blik even af om zijn triomfantelijke lachje te verbergen. Toen hij zijn gezicht weer in de plooi had, draaide hij zich weer naar zijn publiek. Hij sprak verder, zo zachtjes nu dat ze muisstil moesten zijn om hem te kunnen verstaan. ‘Welnu, vrienden, dan is de tijd van de Clan van de Rode Vos aangebroken. Over twee maanden zullen we niet ver van kasteel Araluen samenkomen, en dan krijgen jullie verdere aanwijzingen.’